Je handen horen in een rustpositie op navelhoogte, losjes in elkaar of gewoon hangend, niet gekruist en niet in je zak. Je blik verspringt elke drie seconden naar een nieuw iemand, niet over de zaal heen. Je voeten staan heupbreed en blijven staan. De rest is oefening, geen talent.
De handen: rustpositie plus gebaren vanuit de pols
Gekruiste armen ogen afwerend, ook als je het gewoon koud hebt. Handen in je broekzak maken onrustig, omdat ze steeds met kleingeld of sleutels spelen. De oplossing is een neutrale basishouding: handen losjes voor je lichaam, vingertoppen mogen elkaar licht raken, ellebogen niet vastgeplakt aan je ribben. Vanuit die positie gebaar je zodra een zin daarom vraagt, en daarna keer je terug. Gebaren komen uit pols en onderarm, niet uit de schouder; grote zwaaien ogen al snel onrustig. Eén open hand bij een opsomming, twee handen bij “het belangrijkste eerst” zijn ruim voldoende. Wie echt niet weet waar de handen moeten blijven, houdt bij wijze van test kaartjes of een blad vast, dat geeft houvast zonder de aandacht op te eisen. Trillen valt daarmee ook te camoufleren: een blad papier versterkt zichtbaar trillen juist, omdat het papier zelf meetrilt, kaartjes van stevig karton geven daarentegen genoeg stijfheid om licht trillen in de hand niet zichtbaar door te geven. Wie merkt dat de handen vlak voor het optreden koud en trillerig zijn, kan ze even tegen elkaar wrijven of de vuisten stevig ballen en weer openen, dat brengt merkbaar doorbloeding en haalt de scherpe kant van het trillen af, nog voordat de eerste zinnen vallen.
Oogcontact: het 3-secondenanker
Een blik die over de hoofden heen het niets in gaat, oogt onzeker, hoe stevig je stem ook klinkt. Effectiever is het 3-secondenanker: één zin of gedachte lang naar één persoon kijken, dan verder. Drie seconden voelen tijdens het spreken lang aan, maar komen in de zaal normaal en persoonlijk over. Bij grotere ruimtes verdeel je het publiek in gedachten in drie tot vier zones, links, midden, rechts, achterin, en wissel je tussen de zones, in plaats van steeds dezelfde voorste rij te bedienen. Belangrijk: de zone wisselt aan het einde van een zin, niet middenin een gedachte, anders oogt het gehaast. Bij zeer grote zalen met schijnwerperlicht, waarin je niemand herkent, is het genoeg om te doen alsof je vaste punten aankijkt, het effect op de zaal is hetzelfde.
Een stabiele houding: heupbreed, niet wiebelen
Wiebelen van het ene been op het andere, gewicht verplaatsen, in een kringetje draaien: allemaal tekenen van nervositeit die zich in beweging ontlaadt. Het tegenovergestelde is onspectaculair. Voeten heupbreed uit elkaar, gewicht gelijk verdeeld, knieën niet doorgedrukt. Wie vlak voor het optreden lang heeft gezeten, kan beter even opstaan en de benen uitschudden voordat de eigenlijke sprekershouding wordt aangenomen, anders werkt de zithouding door als een lichte scheve stand in de eerste zinnen. Vanuit die positie mag je bewust bewegen, bijvoorbeeld twee, drie stappen opzij bij een nieuw onderwerp, maar daarna blijf je weer staan. Bewegen zonder reden leest als onrust, bewegen met reden leest als zelfverzekerdheid. Een simpele truc om wiebelen op te merken: schoenen met een platte zool dragen en bewust voelen dat beide voetzolen volledig op de grond rusten.
Achter het spreekgestoelte is het anders dan vrij in de ruimte
Een spreekgestoelte verbergt de onderste helft van je lichaam, dat neemt nervositeit een deel van haar aangrijpingspunt af, maar verleidt ook om je eraan vast te klampen. Beide handen stevig aan de randen geklemd oogt gespannen en blokkeert bovendien elk gebaar. Beter: één hand rust losjes op het spreekgestoelte, de andere blijft vrij voor gebaren. Wie helemaal zonder spreekgestoelte vrij in de ruimte staat, heeft meer bewegingsruimte, maar ook meer oppervlak waarop nervositeit zichtbaar wordt, daarom is de stabiele houding hier nog belangrijker. Microfoon aan een snoer: één hand houdt hem op constante afstand van je mond, de andere blijft vrij voor gebaren; een headset of dasspeldmicrofoon maakt beide handen vrij, maar verleidt makkelijk tot hectischer rondlopen als je dat niet bewust afremt.
Typische fouten en de gezichtsuitdrukking die meespreekt
De vluchtblik naar de slide is de meest voorkomende: wie naar de eigen presentatie spreekt in plaats van naar het publiek, oogt onzeker en is bovendien lastiger te verstaan, omdat de stem van de muur wegdraagt in plaats van de zaal in. Onthoud: kijk naar de slide als je ernaar wijst, anders terug naar het publiek. Muntjes of sleutels laten rinkelen in je zak klinkt in de zaal vaak luider dan je denkt, en leidt af zonder dat de spreker het zelf merkt; zakken leegmaken voor het optreden lost dat op. Een pen in de hand wordt bijna automatisch een klik-klikspeeltje, beter even wegleggen. En voortdurend knikken naar je eigen tekst terwijl je spreekt, oogt onderdanig in plaats van besluitvaardig; de stem draagt de boodschap, niet het knikken. Ook de weg naar het spreekgestoelte telt al mee als onderdeel van de speech: snelle, kleine trippelpasjes ogen gejaagd, een paar stappen in normaal tempo, even blijven staan, dan pas beginnen, oogt daarentegen bezonken, nog voordat het eerste woord valt.
Een gespannen gezicht spreekt de tekst tegen, zelfs als stem en houding wel kloppen. De basisregel is simpel: de uitdrukking volgt de inhoud, niet de eigen nervositeit. Bij een anekdote mag een echte glimlach meelopen, bij een ernstig moment mag het gezicht gerust ernstig blijven, een opgeplakte permanente glimlach over de hele tekst oogt ongeloofwaardiger dan een wisselende uitdrukking. Een truc tegen het typische speechmasker, de starre, gespannen blik die bij nervositeit ontstaat: vlak voor het optreden bewust je wenkbrauwen optrekken en weer laten zakken, dat maakt de voorhoofdspieren los, die onder spanning als eerste verkrampen. Wie tijdens het oefenen voor de spiegel merkt dat het gezicht tijdens de ernstige passages volledig uitdrukkingsloos wordt, kan daar gericht tegenin gaan met één enkel gebaar, bijvoorbeeld een kort, bewust knikje naar de eigen uitspraak toe, niet voortdurend, maar één keer op het moment dat het nodig is.
Lichaamstaal past zich aan het moment aan
Hoeveel beweging en nabijheid gepast is, hangt af van het kader. Bij een speech als getuige mag er meer nabijheid en emotie in de gebaren, een glimlach, een stap richting het bruidspaar bij de centrale zin. Bij een keynote voor vakpubliek oogt te veel beweging juist onrustig, hier telt een rustige, duidelijke houding meer dan expressie. Wie zich voorbereidt op jezelf voorstellen bij een sollicitatiegesprek, doet er goed aan om extra te oefenen dat lichaamstaal en inhoud bij elkaar passen: wie over eigen doorzettingsvermogen spreekt en daarbij de armen kruist, spreekt zichzelf tegen. Hoe je de nervositeit aanpakt die deze fouten vaak juist veroorzaakt, staat in de gids over plankenkoorts voor je toespraak.
Lichaamstaal leer je niet uit het hoofd, alleen door te oefenen
Geen spiekbriefje vervangt het uitproberen voor echte ogen, en lichaamstaal is bij het stil lezen van je eigen tekst toch niet te controleren. Wie zijn speech hardop oefent in de eloqole-teleprompter, kijkt daarbij automatisch minder naar het blad en meer recht vooruit, dat traint precies het oogcontact waar het hier om gaat. Laat eerst een concept schrijven dat bij je spreektijd en je toon past, oefen het daarna staand, met vrije handen, tot de rustpositie een gewoonte wordt in plaats van een inspanning.